Oneerlijke concurrentie als klacht

Vraag:

Een boerderij heeft als hoofdfunctie een bestemming voor dagrecreatie en horeca gekregen in het bestemmingsplan. Het platteland en de  landbouw zijn het decor geworden. Ondanks de bestemming klaagt locale horeca over oneerlijke concurrentie. Waarin zit deze oneerlijkheid dan?

Antwoord:

In de praktijk ontstaat de meeste onvrede in de overgangssituatie dat de bestemming nog niet is aangepast en de nieuwe situatie wordt gedoogd. Er is alleen sprake van ‘oneerlijkheid’ zolang de zaak nog niet is gelegaliseerd. Dat komt nogal eens voor. Ook door subsidies voor dorpshuizen e.d. kan oneerlijke concurrentie ontstaan. Elke ondernemer moet voldoen aan dezelfde wetgeving, ook de boerderij die horeca wordt, of het horecabedrijf dat trainingen en evenementen organiseert. Door de verschillende situaties binnen en buiten de bebouwde kom pakken sommige aspecten anders uit. Zo zal de boerderij gemakkelijker een weiland als parkeerruimte kunnen betrekken, terwijl de horeca in de bebouwde kom dure parkeerplekken kan hebben. Het is gebruikelijk om in de bebouwde kom de horeca per gebied (wijk) te differentiëren. Dit werkt door in bestemmingsplannen voor de bebouwde kom met verschillende categorieën horeca. Erkend moet worden dat het horecabeleid voor het buitengebied in veel gemeenten reageert op ontwikkelingen en achteraf stuurt, waardoor er een verschil van ‘vrijheid’ tussen platteland en bebouwde kom kan worden ervaren. Dat is echter niet oneerlijk.


bron: www.landregels.nl