Tweede bedrijfswoning is lastige afweging

Vraag:

Hoe kom ik aan een tweede agrarische bedrijfswoning?

Antwoord:

De vraag over een tweede agrarische bedrijfswoning wordt beantwoord via de Wet ruimtelijke ordening. Het gemeentelijk beleid in structuurvisie en de gemeentelijke regels in bestemmingsplan zijn dan bepalend. De meeste provincie hebben een richtlijn over tweede bedrijfswoningen die gemeenten moten opvolgen.



Desondanks zijn er landelijke hoofdlijnen in beleid en regels.
In Nederland geldt het algemene beginsel dat er in het buitengebied niet gebouwd wordt en dat de landbouw de belangrijkste uitzondering is omdat zij van de gronden afhankelijk is. Bijna alle beleid en regels bouwen op dit principe. Enkele provincies en gemeenten koersen aan op een bredere benadering: die van plattelandseconomie. Het is een misverstand dat agrarische bedrijven die verbredingsactiviteiten dezelfde bouwrechten en gebruiksrechten hebben als de zogenaamde uitzondering voor het landbouwbedrijf.



Voor agrarische bedrijven als hoofdfunctie (agrarische bestemming) geldt dan meestal:
•    Een normale opvolgingssituatie is geen reden voor een tweede bedrijfswoning. Tijdelijke dubbele bewoning kan worden opgevangen met ‘aanleunwoningen’(extra m2 of m3) voor de ‘rustende boer’. Ook extra woonruimte voor mantelzorg is tegenwoordig in veel gemeenten geregeld.
•    Bij een opvolging waarin twee opvolgers het bedrijf opvolgen kan een tweede woning worden toegestaan. Soms wordt dit omzeild door het bedrijf te splitsen waardoor er feitelijk een afweging is van een nieuwvestiging. Bij twee opvolgers: a. bestemmingsplanmatige splitsing op twee locaties: er  moeten twee volwaardige bedrijven resteren (juridisch en economisch kan  het één bedrijf zijn); b. samen een meermansbedrijf opp één locatie, met twee maal volwaardigheid en met gelijkwaardige inbreng van de twee ondernemers. Dit laatste komt voor in de glastuinbouw en in de melkveehouderij (vooral Friesland). Bij dit type tweede bedrijfswoning wordt vaak de eis gesteld dat de tweede woning duidelijk op het erf ligt, en soms zelfs naast elkaar als duidelijke uitstraling van het meermansbedrijf en om zelfstandige afsplitsing te verhinderen.
•    Bij landbouwbedrijven die een tweede tak ontwikkelen waarbij deze tweede tak niet gericht is op de primaire productie (kaasverwerking en zorglandbouw zijn secundaire producties), dan geeft de secundaire tak geen aanleiding tot een woning. In bijna alle provincies en gemeenten wordt dit afgewezen. Indien een neventak of tweede tak een dusdanige omvang heeft dat toezicht ter plaatse door een extra woning nodig is, dan wordt de planologische grens overschreden en behoort de neventak zich in de ‘bebouwde kom’ te ontwikkelen, zo is het algemene beleid. Dit neemt niet weg dat er allerlei situaties en motivaties (sociale, ruimtelijke of economische, speculatieve, woonuitbreidingsgerichte) zijn/ontstaan om hiervan af te wijken. Overigens is het voor veel beroepen ‘handig’ bij de werkruimte te wonen: het is helder dat dit beslist geen ruimtelijk argument is. De noodzaak van toezicht wordt ook in de primaire landbouw zwaar gewogen: het automatisme dat elk agrarisch bedrijf een eerste woning nodig heeft, is in veel provincies al verlaten.
•    NB Het bieden van verblijfruimte aan zorgvragers, tijdelijke huisvesting aan werknemers of overnachting voor recreatie op het agrarische bedrijf staat hier los van. Het is niet aan te raden – hoe verleidelijk ook – om deze mogelijkheden te benutten voor permanente bewoning als tweede bedrijfswoning. Het bieden van huisvesting aan zorgvragers of werknemers kan overigens als woonruimte worden getypeerd voor ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer, WOZ/belasting, rioolaansluiiting e.d: de typering door een andere wet als ‘woonruimte’ geeft geen automatisch recht op het gebruik als woninng volgens bestemmingsplan of Woningwet.

Voor multifunctionele landbouwbedrijven is een tweede agrarische bedrijfswoning dus uitsluitend een mogelijkheid (geen garantie) ingeval van een meermansbedrijf in de primaire productie, ongeacht de aard en de economische omvang van de bijbehorende neventak zoals kaasmaken, kinderopvang of zorg.


 


bron: www.landregels.nl HW